Heeft een werknemer in 2013 ontslag gekregen en heeft hij in 2014 een schadeloosstelling ontvangen? Dan is onder voorwaarden de stamrechtvrijstelling op die schadeloosstelling van toepassing en kan de ex-werkgeefster de schadeloosstelling zonder inhoudingen uitbetalen. Mr. Marlies Kastelein geeft een reactie.

Een werknemer werd in 2013 per direct door zijn werkgever ontslagen. In mei 2013 ontving de man een ontslagvergoeding. Na goedkeuring door de Belastingdienst is hierop de stamrechtvrijstelling toegepast en door de ex-werkgeefster zonder inhoudingen gestort in de stamrecht-B.V. van de werknemer. De ex-werkgeefster was door de werknemer in februari 2014 gedagvaard. De rechter veroordeelde de ex-werkgeefster tot betaling van een schadevergoeding vanwege kennelijk onredelijke opzegging. Bij de uitbetaling hield de ex-werkgeefster loonheffingen in.

In geschil bij de Hoge Raad is of het overgangsrecht voor het vervallen van de stamrechtvrijstelling van toepassing is. Volgens de Hoge Raad is van belang dat in 2013 de werknemer slechts een verwachting had dat hij een vergoeding zou gaan ontvangen vanwege een kennelijk onredelijk ontslag. Pas in 2014 na de uitspraak door de civiele rechter is sprake van een belaste bate. Ook komt pas in 2014 vast te staan dat schadevergoeding werd gebruikt voor een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon. Voor het overgangsrecht is van belang dat de aanspraak op de schadeloosstelling op 31 december 2013 voldoende bepaald of bepaalbaar is. De stamrechtovereenkomst moet voor 1 januari 2014 getekend zijn en hierin moet het bedrag van de schadeloosstelling staan. De Hoge Raad onderschrijft het oordeel van het hof dat geen sprake is van een bestaande aanspraak op 31 december 2013, omdat deze nog niet bepaald is of bepaalbaar. De wetgever heeft in de overgangsregeling gekozen voor heldere eisen, waaraan de werknemer niet voldeed. Conclusie is dat de ex-werkgeefster in 2014 terecht loonheffingen heeft ingehouden op de schadeloosstelling vanwege kennelijk onredelijk ontslag.


Reactie Marlies Kastelein
‘Civielrechtelijk worden zowel de ontslagvergoeding ex art. 7:681 BW als de wettelijke rente ex art. 6:119 en 6:83, aanhef en onder b BW verschuldigd en opeisbaar op de datum van het onrechtmatige ontslag. Fiscaal worden inkomsten echter geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn ontvangen of verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend zijn geworden of vorderbaar en tevens inbaar zijn geworden. Fiscaal wordt tot uitgangspunt genomen dat het bedrag van de ontslagvergoeding vast moet staan, wil een genietingsmoment kunnen worden geconstateerd. Moratoire interessen maken niet dat de ontslagvergoeding geacht moet worden op een eerder moment te zijn genoten, ook niet al loopt de rente vanaf de ontslagdatum. De hoogte van deze wettelijke rente wordt fiscaal geacht op hetzelfde moment vorderbaar en inbaar te zijn geworden als de ontslagvergoeding zelf.

Het was te verwachten dat de Hoge Raad zich zou aansluiten bij het eensluidend oordeel van de rechtbank, het hof en de A-G. De Hoge Raad is niet snel geneigd tot ‘omgaan’, en het genietingstijdstip wordt al sinds jaar en dag op dezelfde wijze benaderd. Gelet op de samenhang tussen de loon- en inkomstenbelasting is het niet voor de hand liggend dat voor de loonbelasting een ander genietingstijdstip kan worden geconstateerd dan voor de inkomstenbelasting. De voor de inkomstenbelasting gewezen jurisprudentie van de Hoge Raad is dan ook tevens richtinggevend voor de loonbelasting.

In de parlementaire geschiedenis van Belastingplan 2014 is geventileerd dat aard en omvang van het stamrecht op 31 december 2013 voldoende bepaald of bepaalbaar moesten zijn, wilde men in 2014 nog gebruik kunnen maken van de stamrechtvrijstelling in de loonbelasting. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit niet het geval is als het bedrag van de aanspraak nog niet vaststaat. Daarmee valt voor belanghebbende het doek.’

Bron: Taxence, 11 maart 2019