Bij het bepalen wie werkgever is voor het betalen van een vertrekvergoeding, moet men van de Hoge Raad aansluiten bij het civiele recht. Dit werkt weer door naar de inhoudingsplicht.

Een bv hield tot 12 mei 2009 alle aandelen in een dochtermaatschappij die zelf ook weer aandelen hield in andere vennootschappen. De bv had een werknemer in dienst die behoorde tot de directie van de dochtermaatschappij en later ook tot het bestuur van de bv. De bv betaalde het salaris van deze werknemer en belaste deze loonkosten door aan de dochtermaatschappij. In verband met de geplande verkoop van de aandelen in de dochtermaatschappij sprak de bv eind 2008 af dat zij de man niet zou zien als een deel van het bestuur. De werknemer zou wel in dienst blijven bij de dochtermaatschappij. Vanaf 1 juni 2009 betaalde de dochtermaatschappij dan ook het salaris van de werknemer uit. Daarnaast ontving hij van de bv een incentive fee van € 5 miljoen in verband met de aandelenverkoop.

Volgens de Belastingdienst is de incentive fee een excessieve vertrekvergoeding. De bv bestrijdt dit. Haar redenering is dat de werknemer in 2009 niet bij de bv maar bij de dochtermaatschappij in dienstbetrekking is. De bv meent dat men moet kijken naar de materiële situatie en niet naar de civielrechtelijke vorm. De werknemer moest arbeid verrichten voor de dochtermaatschappij en er was sprake van een gezagsverhouding, aldus de bv. De Hoge Raad komt echter tot een ander oordeel. De werknemer had zich tegenover de bv verplicht gedurende een zekere tijd arbeid te verrichten. Dat sommige werkzaamheden ten gunste kwamen aan de dochtermaatschappij, sluit de dienstbetrekking bij de bv niet uit. Civielrechtelijk was ook sprake van een dienstbetrekking. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de bv ongegrond.

Bron: Taxence, 6 mei 2020